Voorgeschiedenis
Het instrumentendecreet, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 3 juli 2023, wijzigde artikel 75 van het Decreet op de Omgevingsvergunning. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de vergunningverlenende overheden vanaf 1 januari 2024 verplicht lasten moeten opleggen bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor alles wat zonevreemd is. Het decreet laat de keuze tussen het opleggen van financiële lasten of lasten in natura. Momenteel hanteert de gemeente Boechout lasten in natura. Financiële lasten kunnen slechts worden opgelegd als dit geregeld wordt in een stedenbouwkundige verordening.
Het departement Omgeving van de Vlaamse Overheid heeft een modelverordening uitgewerkt en aan alle gemeentebesturen bezorgd. Deze modelverordening is inhoudelijk tot stand gekomen vanuit de pilootgroep lasten en uitgewerkt door het departement Omgeving.
Op basis van deze modelverordening heeft het college van burgemeester en schepenen een ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake lasten opgemaakt. Op 17 juni 2025 heeft het college van burgemeester en schepenen het ontwerp van deze verordening principieel goedgekeurd.
Feiten en context
Het opmaken van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening lasten is nodig om financiële lasten te kunnen opleggen bij omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen en voor het verkavelen van gronden.
De doelstelling, vanuit dit Vlaamse decreet, van het opleggen van lasten bij zonevreemdheid is het zonevreemd wonen en andere zonevreemde activiteiten te ontmoedigen en zonevreemde bebouwing en verharding te reduceren of weg te werken.
De goedkeuringsprocedure voor gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen werd
vastgelegd in artikel 2.3.2 van de VCRO. De relevante delen hiervan luiden als volgt:
“§ 2. (…) Het college van burgemeester en schepenen is belast met het opmaken van
gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en neemt de nodige maatregelen tot
opmaak.
Het college van burgemeester en schepenen legt het ontwerp van stedenbouwkundige
verordening voor advies voor aan het departement, de deputatie en aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. Het departement en de deputatie geven advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in paragraaf 2/1, derde lid, 1° tot en met 5°. De adviezen worden binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier naar het college van burgemeester en schepenen gestuurd. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan.
Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast. De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement.”
Sommige gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen moeten onderworpen worden aan een plan-m.e.r.-screening. In bepaalde gevallen vormt een stedenbouwkundige verordening echter geen kader voor de vergunningverlening.
De voorliggende verordening inzake lasten omvat geen randvoorwaarden voor de toekenning van vergunningen. Deze verordening zal weliswaar toegepast worden bij de afgifte van omgevingsvergunningen, maar vormt geen beoordelings- of toetsingskader bij de vraag of een vergunning al dan niet kan verleend worden.
Er wordt immers in de wetgeving een duidelijk juridisch onderscheid gemaakt tussen enerzijds voorwaarden, die wel dienen om een aanvraag vergunbaar te maken, en anderzijds lasten, die dat oogmerk niet hebben.
De vraag of een aanvraag voor vergunning in aanmerking komt en bijvoorbeeld voldoende
openbaar domein of andere infrastructuur voorziet wordt in de vergunningverlening (en de
milieueffectbeoordeling (project-MER, ontheffing of project-m.e.r.-screening) van de vergunningsaanvraag) zelf bekeken en niet vastgelegd in deze verordening. De getallen inzake de last in natura hebben een louter mathematische doelstelling van kostenafweging tussen natura en financiële last. Een plan-mer-screening is aldus niet vereist is omdat deze verordening zich louter beperkt tot het onderwerp “lasten”.
Deze verordening inzake lasten vormt geen kader om te bepalen of een vergunning verleend kan worden, wat de finaliteit is van voorwaarden, maar strekt ertoe om de financiering mogelijk te maken van de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van een vergunning op zich moet nemen.
Deze verordening op zichzelf heeft geen significante effecten op beschermde soorten en
habitattypes in habitat- en vogelrichtlijngebieden. Ook een passende beoordeling is dus niet
vereist, omdat deze verordening zich louter beperkt tot het onderwerp “lasten”.
Er werd een openbaar onderzoek van 30 dagen gehouden, van 1 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025, dit openbaar onderzoek werd bekendgemaakt:
● in het Belgisch Staatsblad op 29 september 2025
● via een bericht op de website van de gemeente
● via een bericht in het gemeentelijke infoblad (lokaal drukwerk, verspreid in alle brievenbussen van de gemeente)
Tijdens dit openbaar onderzoek werden geen standpunten, opmerkingen en bezwaren geformuleerd.
Het ontwerp van stedenbouwkundige verordening werd voor advies voorgelegd aan het departement Omgeving, de deputatie van de provincie Antwerpen en aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (GECORO).
In zitting van 11 september 2025 heeft de GECORO een advies uitgebracht, vervolledigd op 25 september 2025. De GECORO formuleerde volgend positief advies:
Over het advies van GECORO wordt volgend standpunt ingenomen:
De deputatie van de provincie Antwerpen heeft op 9 oktober 2025 volgend advies uitgebracht:
" Op 9 september 2025 ontving de deputatie van de provincie Antwerpen van het college van
burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout de vraag om advies te verlenen over het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘Verordening inzake financiële lasten bij omgevingsvergunningen’ in toepassing van artikel 2.3.2 §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voldoet aan de vormvereisten van artikel 2.3.1, artikel 2.3.2 en artikel 4.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met
wijzigingen (B.S. 20 augustus 2009).
De provincie vindt het positief dat de gemeente werk maakt van een stedenbouwkundige
verordening inzake lasten en hiermee tegemoet komt aan de gewijzigde wetgeving (cf.
Instrumentendecreet).
Gezien het specifieke karakter gaat de deputatie er van uit dat de verordening niet strijdig is met
het ontwerp van Provinciaal Beleidsplan Ruimte Antwerpen en ook niet met het GRS van Borsbeek (sic).
Voor de volledigheid wordt meegegeven dat de provincie Antwerpen geen provinciale
stedenbouwkundige verordening heeft.
Hieronder volgen puntsgewijs per artikel enkele bedenkingen en aanbevelingen:
Artikel 1, §2: “Geval per geval kunnen, in toepassing van artikel 75 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, grotere stedenbouwkundige lasten dan voorzien in deze verordening worden opgelegd, zowel financieel als in natura.”
➔ Is het juridisch correct om willekeurig (‘geval per geval’) hogere financiële lasten op te leggen
dan diegene die zijn bepaald binnen de verordening zelf?
➔ In ieder geval, financiële lasten moeten bepaald zijn in een stedenbouwkundige verordening.
Het kader om een hogere financiële last toe te kennen dan diegene die zijn bepaald in deze
verordening ontbreekt. Er is dus geen basis om hogere financiële lasten op te leggen dan
diegene die in voorliggende verordening zijn vastgelegd.
Artikel 4, §2, 2°: “het uitvoeren van een vergunningsplichtige zone-eigen functiewijzigingen met een bovengrondse nuttige vloeroppervlakte van 250 vierkante meter.”
➔ Dit kan leiden tot een verkeerde interpretatie van dit toepassingsgebied. Het is correcter om
te stellen dat dit geldt voor functiewijzigingen vanaf 250m². Nu lijkt het toepassingsgebied
zich specifiek te richten op functiewijzigingen met een nuttige bvo van exact 250m².
Artikel 4, §4: “Bij de goedkeuring van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige
handelingen zal de gemeente een financiële stedenbouwkundige last opleggen als een last in natura onmogelijk, onwenselijk of onvoldoende is.”
➔ Moet ‘De gemeente’ hier niet aangepast te worden naar ‘de bevoegde overheid’ zodat ook de
deputatie correct gebruik kan maken van de stedenbouwkundige verordening?
Artikel 5: “De volgende vergunningsaanvragen of delen ervan zijn vrijgesteld van een financiële
stedenbouwkundige last en van een stedenbouwkundige last in natura”
➔ In hoeverre kan een gemeente een vrijstelling toepassen op de decretale vereiste tot het
opleggen van een stedenbouwkundige last zoals bepaald in Artikel 75 van het
Omgevingsvergunningsdecreet?
➔ In hoeverre maakt dit artikel het onmogelijk om enige last in natura, dewelke niet verplicht in
een stedenbouwkundige verordening dient geregeld te worden, op te leggen wanneer dit in
bepaalde gevallen toch gewenst lijkt?
Er wordt gunstig advies onder voorwaarden gegeven over voorliggend ontwerp van
stedenbouwkundige verordening. Er dient rekening gehouden te worden met bovenvermelde
opmerkingen."
Over het advies van de deputatie wordt volgend standpunt ingenomen:
Artikel 1, §2: deze paragraaf wordt geschrapt, een hogere financiële last wordt niet bepaald in de verordening. Door de schrapping kan er ook geen willekeur ontstaan.
Artikel 4, §2, 2°: de verwoording wordt aangepast: "van 250 m2" wordt vervangen door "vanaf 250 m2".
Artikel 4, §4: het artikel wordt aangepast "de gemeente" wordt vervangen door "de bevoegde overheid".
Artikel 5: Het artikel wordt aangevuld met de bepaling dat de vrijstelling niet van toepassing is voor de decretaal verplichte lasten. Een last in natura zal bij deze projecten niet opgelegd worden gezien deze projecten reeds een meerwaarde realiseren voor de samenleving.
Er werd geen advies ontvangen van het departement Omgeving.
De verdere procedure wordt als volgt geregeld in de VCRO:
“Art. 2.3.2. § 2/1. De deputatie en de Vlaamse Regering beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, achtste lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgestelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.
Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.
Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst:
1° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.11, § 2, tweede lid;
2° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, tweede lid;
3° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of het provinciaal beleidsplan ruimte;
4° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met een gewestelijke of provinciale stedenbouwkundige verordening of, in voorkomend geval, een ontwerp van gewestelijke of provinciale stedenbouwkundige verordening;
5° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met artikel 2.3.1 of 4.2.5;
6° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening;
7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het derde lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 2/2.
§ 2/2. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement.
Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.
Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.”
Argumentatie
In onderstaande paragrafen wordt per artikel een toelichting gegeven.
Artikel 1: Het doel van de verordening wordt in dit artikel weergegeven.
Artikel 2: De aard van de verordening wordt in dit artikel weergegeven, het betreft een stedenbouwkundige verordening.
Artikel 3: Dit artikel bevat enkele definities. Woongelegenheid wordt gebruikt zoals bedoeld in de VCRO (art. 4.2.1, 7°).
Artikel 4§1: De verordening is van toepassing voor het gehele grondgebied van de gemeente.
Artikel 4§2: Het is niet verantwoord om kleine projecten te bezwaren met een stedenbouwkundige last. Deze projecten leveren weliswaar een meerwaarde op voor de initiatiefnemer, maar de bijkomende kosten die gegenereerd worden voor de overheid zijn eerder beperkt te noemen bij zone-eigen projecten. Bij zonevreemde projecten voorziet artikel 75 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning een eigenstandige regeling, ook voor kleine projecten. Zie hieromtrent artikel 4§3. De gemeente kiest dan ook voor de ondergrenzen zoals in artikel 4§2.
Ook voor de niet–woonfuncties wordt er enkel een stedenbouwkundige last gevraagd voor de grotere projecten. Kleinere projecten hebben een kleinere ruimtelijke impact op de omgeving. Daarnaast kunnen kleinere projecten een plaats vinden in de kernen van de gemeente waardoor ze voor kernversterking en voor een levendige kern zorgen. Op die manier dragen ze reeds bij tot het realiseren van een aangename leefomgeving.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen functies als kantoren, diensten, detailhandel, horeca (en andere) enerzijds en industrie en bedrijvigheid anderzijds. Voor industrie en bedrijvigheid wordt gekozen voor een hogere ondergrens.
Voor projecten met de functie landbouw worden zelfs geen lasten opgelegd. De meerkost die ze genereren voor de gemeente is immers klein en grote winsten worden niet vaak gerealiseerd.
Artikel 4§3: De algemene bepaling over de mogelijkheid tot het opnemen van lasten in vergunningen wordt opgenomen in het eerste lid van paragraaf 1 van het nieuwe artikel 75 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning. In het tweede lid wordt opgenomen welke lasten de vergunningverlenende overheid verplicht moet opnemen:
● de lasten opgelegd door de gemeenteraad in het kader van gemeentewegen (1°);
● de lasten voor het verwezenlijken van een bescheiden woonaanbod (2°);
● de eventuele lasten opgelegd door de gemeenteraad bij een vrijgave van een woonreservegebied (3°);
● de lasten gekoppeld aan de toepassing van afwijkingsregels (4°)
Punt 3° is gelinkt aan het decreet Woonreservegebieden. Volgens dit decreet zijn er geen rechtstreekse vergunningen in woonreservegebied meer mogelijk en kan daarin alleen gebouwd of verkaveld worden nadat de gemeenteraad het gebied in kwestie heeft “vrijgegeven” (vrijgavebesluit). Zo’n vrijgavebesluit kan lasten opleggen om de omgevingskwaliteit van een woonreservegebied en de omgeving ervan te verhogen. Als dat het geval is, dan moeten die lasten (verplicht) worden overgenomen in de vergunningen die naderhand in het vrijgegeven gebied worden afgeleverd.
Artikel 4§4: Door te spreken over de bevoegde overheid is ook de deputatie gebonden door de verordening. De last in natura draagt steeds de voorkeur van de gemeente weg. Sommige projecten zijn zo klein of hebben zo’n specifieke ligging dat een last in natura onmogelijk of onwenselijk is. Openbare groenzones bijvoorbeeld hebben een bepaalde grootte nodig om zinvol te zijn. Het heeft ook geen zin om een speelplein te eisen als er 200 meter verder al een speelplein is. Ook kan een last in natura soms een onvoldoende inspanning van de ontwikkelaar inhouden.
Artikel 4§5: Een combinatie van beide soorten lasten is mogelijk. Dit zal vooral voorkomen wanneer de last in natura onvoldoende is.
Artikel 4§6: Sommige projecten kunnen slechts gerealiseerd worden (en zijn slechts vergunbaar) als er wegenis wordt aangelegd of als een hoogspanningscabine, waterinfiltratiebekken of waterzuiveringsinstallatie wordt voorzien. De aanleg of renovatie van dergelijke noodzakelijke infrastructuur wordt niet gevat door de verordening. Het opleggen van die infrastructuur is uiteraard wel ook een stedenbouwkundige last, maar de verordening behandelt ze niet, behalve in artikel 4§3.
Voorbeelden van niet noodzakelijke infrastructuur die wel wordt gevat, zijn:
● Fiets- en voetgangersverbindingen
● Groenzones
● Speelpleinen
● …
Artikel 5: Het is aangewezen om bepaalde projecten, die een meerwaarde realiseren voor de samenleving, of die gepaard gaan met aanzienlijke extra kosten voor de ontwikkelaar, vrij te stellen van de stedenbouwkundige last. Deze vrijstellingen worden in dit artikel opgenomen. Project waarin een sociaal woonaanbod wordt gerealiseerd: een project dat door een private ontwikkelaar wordt gerealiseerd en later verhuurd zal worden via een sociaal verhuurkantoor valt niet onder deze vrijstelling.
Artikel 6: Artikel 5 gaf een aantal vrijstellingen weer, in artikel 6 worden een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Dat betekent dat geval per geval zal nagegaan worden of de situatie een afwijking op de verordening verantwoordt. Een voorbeeld: stel dat een gebouw van 20 m2 met een dak in asbestcementleien wordt afgebroken en op het terrein 10 appartementen worden gebouwd, dan is er geen sprake van een belangrijke of uitzonderlijke inspanning omwille van deze asbestvervuiling.
Als richtwaarde kan meegegeven worden dat de kosten ten laste van de aanvrager toch minstens 10% van de casco bouwkost van het nieuwe project moeten bedragen, wil men van een belangrijke kost kunnen spreken.
In de motiveringsnota van de architect wordt de afwijking gemotiveerd aangevraagd.
Daarnaast berust ook bij de overheid een motiveringsverplichting. De bevoegde overheid motiveert zijn beslissing over de individuele afwijking die is aangevraagd met toepassing van dit artikel uitdrukkelijk in de vergunning. Daarvoor worden objectieve, afdoende en pertinente motieven opgegeven waarom de aanvraag wel of niet beantwoordt aan de criteria vermeld in dit artikel. De bevoegde overheid motiveert tevens waarom een volledige dan wel een gedeeltelijke afwijking is toegestaan. In geval van een gedeeltelijke afwijking motiveert de bevoegde overheid het bedrag van de vermindering.
Artikel 7: Met een lot bij een vergunning voor het verkavelen van gronden wordt een bebouwbaar lot bedoeld. Bij een nieuwbouw, herbouw, functiewijziging of regularisatie wordt het bedrag berekend op het totaal aantal woongelegenheden dat wordt gerealiseerd. Bij een verbouwing of uitbreiding wordt het bedrag berekend op het aantal bijkomende woongelegenheden ten opzichte van wat er in de bestaande toestand vergund is.
Kantoren, diensten, horeca, detailhandel en recreatie zijn meer publiekstrekkende functies dan bedrijvigheid waardoor ze ook een grotere impact hebben op de omgeving. Bijgevolg is er gekozen om het bedrag per m² van de last voor bedrijvigheid lager te houden. Bij een nieuwbouw, herbouw, functiewijziging of regularisatie wordt het bedrag berekend op de totale vloeroppervlakte die wordt gerealiseerd. Bij een verbouwing of uitbreiding wordt het bedrag berekend op de bijkomende vloeroppervlakte ten opzichte van wat er in de bestaande toestand vergund is.
Artikel 8: Art. 75 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning (na wijziging Instrumentendecreet) bepaalt hieromtrent het volgende:
De inkomsten van de financiële lasten, vermeld in paragraaf 3, 4°, worden door de bevoegde overheid aangewend voor het ruimtelijk beleid. De bevoegde overheid bewerkstelligt bij de opmaak van haar begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten bestemd wordt binnen het ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument planologische ruil. Onder planologische ruil wordt verstaan: de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied.
Er worden in dit artikel al twee voorbeelden gegeven van invulling van dit ‘ruimtelijk beleid’: het voldoen aan planschadevergoedingen en de inzet van ‘planologische ruil’.
Voorbeelden van aanwending voor het ‘ruimtelijk beleid’:
● De realisatie van beleidsmatige doelstellingen in de buurt inzake het verhogen van de woon- en leefkwaliteit van het project of zijn omgeving;
● De realisatie van beleidsmatige doelstellingen inzake duurzame mobiliteitsoplossingen; investeren in deelmobiliteit; uitvoeren van mobiliteitsondersteunende maatregelen voor een verbeterde ontsluiting van een bepaald gebied en voor de inrichting van verkeersveilige infrastructuur ten behoeve van de zwakke weggebruiker;
● Tegemoetkomen aan de stijgende nood aan publiek groen. Een nood die logischerwijze voortvloeit uit de hogere dichtheid;
● Uitvoeren van klimaatadaptieve ingrepen (vb. ontharding, wadi’s …);
● Realiseren, financieren, renoveren, beheren en subsidiëren van ondersteunende infrastructuur voor gemeenschapsvoorzieningen, onderwijs en buurtgerichte zorg (vb. school, sportinfrastructuur, kinderopvang, …);
● Realiseren en beheren van klein- en grootschalige ingrepen in de inrichting van het openbaar domein (vb. aanleg plein, plaatsen straatmeubilair, speeltoestellen, …), bijkomende publieke groen/blauwe voorzieningen, als antwoord op verhoogd ruimtegebruik, ondersteunende infrastructuur;
● Realiseren van ingrepen ter bevordering van een goede waterhuishouding (vb. buffering water, openleggen beek, …).
Artikel 9: Dit artikel regelt de modaliteiten van de betaling van de last.
Artikel 10: Dit artikel bevat de stok achter de deur als niet tot betaling zou worden overgegaan.
Artikel 11: Artikel 77 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning (toegevoegd door Instrumentendecreet) regelt de waarborg bij lasten in natura. Het bedrag van de waarborg wordt in dit artikel vastgelegd.
Artikel 12: Via de wijziging van het decreet betreffende de omgevingsvergunning door het Instrumentendecreet wordt de niet-uitvoering van de lasten gekoppeld aan het verval en de termijnen van verval van de vergunning in dit decreet:
a) binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen;
b) binnen tien jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning om te verkavelen zonder wegenaanleg;
c) binnen vijftien jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning om te verkavelen met wegenaanleg.
Artikel 13: Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening.
Juridische grond
Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd op basis van het decreet over het lokaal bestuur dd. 22 december 2017, artikel 56 §2. Het college oefent de bevoegdheden uit die eraan zijn toevertrouwd overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van dit decreet, of overeenkomstig andere wettelijke en decretale bepalingen.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) van 15 mei 2009, meer bepaald artikel 2.3.1 en 2.3.2, dat de rechtsgrond voor deze verordening biedt.
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (omgevingsvergunningsdecreet), artikel 75 en 77.
Het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 (B.S. 3 juli 2023).
Financiële gevolgen
De financiële gevolgen zullen opgenomen worden in de meerjarenplanning.
Stemming
Eenparig
BESLUIT
Artikel 1
De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake lasten, zoals in bijlage gevoegd bij deze gemeenteraadsbeslissing, wordt definitief goedgekeurd.
Artikel 2
Het college van burgemeester en schepenen wordt belast met het verder zetten van de decretaal voorziene goedkeuringsprocedure.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.